Schaken met de dood

‘Ik doe wat ik niet wil en ik wil wat ik niet doe’ (Paulus-Romeinen 7,7-25)

Foto portet van Merlb- kleerkast voor babli 030

Een verslaving kan met één zin niet beter beschreven worden. Yerna spit de problematiek van de rookverslaving uit en meer bepaald de ontwenningsverschijnselen na het goede voornemen om te stoppen met roken.
Daarbij ontbreekt het niet aan hallucinaties, nachtmerries en dwangmatige handelingen. Soms dramatisch, soms komisch.
Aangezien zij het proces meemaakte van een vader die stierf aan longkanker is hier een ervaringsdeskundige aan het woord. Een woord dat sprankelt van metaforen, allegorieën, symbolen en stafrijmen.

In deze bundel wordt hardnekkig geschaakt met woorden als pionnen, maar ook met de dood die loert om de hoek.

Op zaterdag 30 april 2016 werd mijn derde dichtbundel: ‘Schaken met de dood’ voorgesteld in het gc ’t Groenendal, Brandegems Ham 5, te 9820 Merelbeke

Per verkocht exemplaar gaat er 5 € naar KOM OP TEGEN KANKER alsook mijn auteurstoelage. 

De bundel is verkrijgbaar bij Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg 9, 3000 Leuven.

Tel: 016/23 12 45  Email: contact@uitgeverijp.be

En in de boekhandel:  ISBN 978-94-91455-97-1  Kostprijs: 20€

Inleider PHILIP HOORNE over SCHAKEN MET DE DOOD

Hieronder het slot uit de inleiding.

Yerna Van den Driessche is een poëziebeest. Waar poëzie wordt uitgedragen, daar is Yerna graag bij aanwezig. Poëzie is voor haar een tweede natuur, zo stel ik me voor. Ik denk dat ze heel minutieus omgaat met haar werk, dat ze niet snel tevreden is, dat het haar moed en moeite kost om een gedicht als af te beschouwen. Die gedrevenheid en precisie siert haar. Het resultaat is een poëzie waarin zegging en suggestie degelijk met elkaar worden vermengd. Voor mij is dit bij vlagen ook visuele poëzie. Heel wat gedichten in Schaken met de dood laten zich lezen als een foto of een kortfilm waar de beklemming van afdruipt. Het gedicht ‘Avondwandeling’ opent met de volgende strofe: ‘een man katapulteert een brandende peuk / een lichtboog in de vrieskou / een overtreding van het donker’. Ik heb een beeld bij die man die zijn peuk weg katapulteert. Ik zie een man van eenvoudige komaf op wandel in zijn biotoop. De gedichten van Yerna worden bevolkt door lieden met gegroefde zielen maar het hart op de juiste plaats. Ze bidden en vloeken en worden al eens door God en het leven in de steek gelaten, maar krabbelen altijd weer overeind, of proberen dat althans. Ze drinken graag een pint en ze roken omdat ze zijn grootgebracht in een omgeving die alcohol en tabak als normaal beschouwde. Ze weten niet beter, of misschien weten ze wel beter, maar leggen ze alle goedbedoelde raadgevingen naast zich neer. Tot op de dag dat het inzicht komt, vaak aangestuurd door een opkomend kwaaltje dat zich aanvankelijk nog onschuldig aandient.  Schaken met de dood zal niet massaal rokers van de tabak afhelpen. Dat is niet de taak van poëzie. Poëzie hoeft geen pamflettaire ambities te koesteren. Poëzie moet niets anders zijn dan poëzie te zijn. Schaken met de dood is geen schotschrift tegen het roken. Het is veel meer dan dat. Een ode aan het leven bijvoorbeeld, maar bovenal is Schaken met de dood gewoon een dichtbundel die u moet kopen, moet lezen. Daarmee is alles gezegd.

Philip Hoorne  30 april 2016 (De volledige inleiding kan je onderaan de pagina lezen.)

Recensies

Paul Rigolle in Kunsttijdschrift Vlaanderen over Schaken met de dood

De dood is, kan het anders gezien het thema, prominent aanwezig. Helemaal vooraan al luidt het ‘je leven hangt aan een draadje / tabak waar de wind mee speelt / en dat je dat mag voelen / is een geschenk van de dood’. En in het mooie Schaakpat waarmee de bundel eindigt ‘hier in de witte kamer gaat de koning in schaakpat’. Tussenin en terwijl januari vordert bespeelt de dichteres het hele gamma van dagdromen, (dwang)gedachten, af- en misleidingen en herinneringen. Waar het keurslijf van de loodzware en confronterende thematiek losgelaten wordt en het stengelmeisje vrij mag jongleren is deze poëzie op haar sterkst. Niet toevallig beklijven de cursief gedrukte persoonlijke gedichten nog het meest.

De volledige recensie kan je hier lezen

Renaat Ramon in de ‘DE GEUS’ over ‘Schaken met de dood’

De recensent heeft het in zijn bespreking niet alleen over het titelgedicht, dat volledig wordt gepubliceerd, maar hij geeft een overzicht met velerlei aspecten van de bundel.

Bij samenvatting schrijft hij:

‘Het is geen strak, rechtlijnig verhaal. Waarnemingen, reflecties en dromen wisselen elkaar af of zijn met elkaar vervlochten en vaak gelinkt aan vele ‘bijzondere’ dagen die de maand januari rijk is. Niet toevallig wordt halverwege, op 15 januari, een ‘opera buffa’ opgevoerd, een satirisch tussenspel tijdens de pauze van een (dood)ernstig stuk.’

‘Het is paradoxaal te noemen dat Van den Driessche met dit troosteloze, macabere gegeven een levendige bundel wist te maken. Zij heeft daartoe de poëtische middelen in huis.

De volledige recensie is te lezen in jaargang 48, nr 5 van het vrijzinnige tijdschrift ‘De Geus’  in de rubriek ‘Poëstille’ onder de titel titel ‘In teer gesmoord’.

 Ivan Sacharov over ‘Schaken met de dood’

Er is een  recensie verschenen bij Meander  met  de titel ‘Waarom je niet kan schaken met de dood’. Dit heeft mij tot nadenken gezet. Is de titel van deze bundel onzinnig? Kan men wel schaken met de dood?

Bij schaken is er altijd een winnaar en een verliezer. Als de dood de tegenstander is verliest men altijd want uiteindelijk sterft iedereen.

De vraag is alleen: hoe lang kan men het volhouden bij het schaken? Een totaal ondeskundige zal onmiddellijk schaakmat gezet worden door een goed schaker. Doch als men het spel leert kennen kan men langer weerstand bieden, zelfs tegenover een goede schaker.

Uiteindelijk betekent langer leven wegens zekere inspanningen een overwinning op de dood aangezien leven een kwestie is van kwaliteit en duur en niet van sterven of niet sterven. Zo blijft naar mijn inziens schaken met de dood zinvol.

Tenslotte dient gezegd dat de titel van deze bundel zwaarder klinkt dan de inhoud ervan. Er is voornamelijk sprake van ontwenningsverschijnselen bij volledige stopzetting van een rookverslaving. Dergelijke beschrijving kan ook wel eens ironisch of humoristisch zijn.

NBD Biblion

Aanvechtingen en aansporingen tot afleiding – wordt zwanger, neem een hond, leer schaken – , een jointmeisje dat sterft, de begrafenis van een rookvriend en de verzuchting ‘hoe geraak je vlot / en pijnloos / aan de overkant’. In deze dichtbundel van de Belgische Yerna van den Driessche (1949) gaat het over stoppen met roken. In haar derde werk (in 2009 verscheen ‘Reconstructie’* en in 2012 ‘Mendelejevkoorts’**) volgt ze een vrouwelijke jij-persoon, die op 1 januari is gestopt. Ze leeft, ze droomt, ze twijfelt. Beeldend, toegankelijk en vol weemoed zal deze bundel ook de beginnende poëzieliefhebber aanspreken.

© NBD Biblion

Voor wie geïnteresseerd: de volledige inleiding van de bundel door Philip Hoorne

Schaken met de dood, zo heet de derde dichtbundel van Yerna Van den Driessche. Mijn kennis van het schaken is beperkt, maar ik vermoed dat het een spel is, of een sport, zo u wil, waarin je eerst nog lekker de evenknie van je tegenstander bent, en dan in één of een paar zetten wordt uitgeteld. Een schaakspel met de dood kan je niet winnen, want de dood is de beste schaker die er bestaat.

Schaken met de dood. Een dichter die een bundel van een collega-dichter mag inleiden, en in de titel van die bundel komt het woordje ‘dood’ voor, dat is smullen geblazen. Dichters en de dood, dat zijn veel handen op één buik. Als de mensheid erin slaagt om alle mysteries van het leven te ontsluieren, als we weten of het monster van Loch Ness nu wel of niet bestaat, als we weten waar het verdwenen vliegtuig MH370 zich bevindt, als we dan eindelijk alles zullen weten over Bigfoot, over Stonehenge en hoe dat nu precies zat met die moord op John F. Kennedy, dan zal er altijd nog één mysterie overblijven, de Dood. Waar komen we vandaan en waar gaan we heen? Waar we vandaan komen is niet echt superbelangrijk, want we zijn er. Vanuit ons toekomstgericht denken is de vraag waar we heengaan veel en veel interessanter. Het antwoord is simpel: niemand heeft een flauw idee.

De dood is alomtegenwoordig. Doe eens de test: hoeveel maal op een dag word je geconfronteerd met de dood? De overlijdensberichten in de krant, diezelfde krant waarmee je een vlieg dood mept, tv-personages die elkaar afknallen dat het een lieve lust is, een dood onzelieveheersbeestje op het raamkozijn, het journaal op alle zenders meermaals per dag enzovoort enzovoort. Dat is de ver-van-ons-bed-dood, de dood als schouwtoneel.

Sterven door onverbeterlijk te blijven lurken aan een wit stokje, sigaret genaamd, is een cynische en redelijk belachelijke manier om jezelf naar de uitgang te begeleiden. Doodgaan aan wat een genotsmiddel wordt genoemd, hoe contradictorisch. Tegenwoordig is de sigaret een paria, een weliswaar nog altijd machtige paria, maar in lang vervlogen tijden was ze helemaal ingeburgerd. Mijn ouders, die nooit in hun leven een sigaret hebben gerookt, hadden lang lang geleden, een pakje sigaretten in huis voor als er iemand op visite kwam, om die persoon een sigaret te kunnen aanbieden. Heel surreëel, want bij ons kwam zelden iemand over de vloer en ik heb ook nooit iemand een sigaret uit dat pakje weten nemen. Maar het was er wel, dat pakje Belga op de salontafel. Kun je nagaan hoe het er dan aan toe ging bij mensen die wel iets hadden met roken. Om een zicht te krijgen op de gloriedagen van de sigaret, en bij uitbreiding alle andere rookwaren, kijk je het best naar oude films en documentaires. Overal werd er gerookt, tot in ziekenhuizen toe. Ik heb net als velen onder u nog de tijd meegemaakt dat er gerookt werd op kantoor en in restaurants. Het is amper voor te stellen dat die tijd ooit heeft bestaan. Maar niettegenstaande alle maatregelen is de sigaret nog lang niet dood. Hoe tolerant ik ook ben, er zijn een aantal situaties waarin roken mij erg tegen de borst stoot. Een paffende moeder achter een kinderwagen, of een vader die rookt in de auto met op de achterbank een baby in de maxi cosy, daar word ik triest, ja zelfs een beetje opstandig van.

Schaken met de dood van Yerna Van den Driessche is een themabundel waarin we gedurende de hele maand januari een je-persoon volgen die zich met Nieuwjaar heeft voorgenomen te stoppen met roken. Of anders gezegd, iemand die zoals in het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas Van Eyck ineens een glimp van Pietje de Dood heeft opgevangen en vlucht naar veiliger oorden. Voorin de bundel staat een lichtjes aangepast motto van Friedrich Nietzsche. ‘Nog ben ik in leven, nog denk ik: ik moet nog leven, want ik moet nog denken.’ Dat is Nietzsche. Bij Yerna wordt dat: ‘Nog ben ik in leven, nog denk ik: ik moet nog leven, want ik moet goed sterven.’ Goed sterven. Wat zou dat kunnen zijn, goed sterven? In de anti-oorlogsfilm ‘Paths of Glory’ vraagt een soldaat aan een andere soldaat hoe hij het liefst zou sterven, door een bajonet of door geweervuur. Het antwoord luidt: door geweervuur. De eerste repliceert daarop dat geweervuur vanzelfsprekend het meest logische antwoord is, omdat soldaten het liefst sterven met zo min mogelijk pijn. Het gesprek kabbelt nog even voort en uiteindelijk zegt de soldaat die de discussie op gang bracht dat, als het echt de dood is waar een mens bang voor is, het eigenlijk niet uitmaakt hoe je sterft. Kort samengevat: wellicht is goed sterven waardig en zo pijnloos mogelijk sterven, maar het blijft wel sterven, een onherroepelijk once in a lifetime event. Voor de je-persoon in Yerna’s bundel is de wens om goed te sterven een motivatie om te stoppen met roken. Zij – want gaandeweg de bundel komen we te weten dat de je-persoon een vrouw is – mag zich niet laten ringeloren door die enge ziekte die kanker heet door zelf aan de woekering van die ziekte bij te dragen.  ‘Hoe geraak je vlot en pijnloos aan de overkant’, schrijft Yerna.

De bundel opent met een paginavolle waarschuwing ‘Roken veroorzaakt dodelijke longkanker’, in drie talen en in een letter die naarmate de bladzijde vordert almaar groter wordt, alsof eerst nog wordt gefluisterd dat het niet verstandig is de gevreesde ziekte uit te dagen. Maar al snel gaat het fluisteren over in spreken en het spreken in roepen en het roepen in schreeuwen. Niet doen! De dood, die komt óoit wel, zoek hem verdomme zelf niet op. Dit is een bundel zonder paginanummering. Of beter gezegd, de paginanummers zijn de dagen van de maand januari van een niet nader genoemd jaar, de maand waarin die onbestemde je-persoon start met stoppen met roken. Boven elk gedicht staat de aanduiding van de dag. Het eerste gedicht heet heel toepasselijk ‘Voornemen’ en heeft een fraaie vondst in de openingsregel. ‘Je laatste sigaret smoren’. Smoren, dat weet u, betekent zowel onderdrukken als roken. Er wordt geklonken op ‘een teerloze toekomst’. Maar het gemis is niet min, het is keihard op de tanden bijten. ‘Op een eiland voor asielrokers’ ‘als een vis happen naar verslaving’, maar het lukt en op het einde van die rookloze 1ste januari wordt de ‘eerste zwarte dag’, zoals hij genoemd wordt, gecelebreerd met een ‘kruis op een naaktkalender voor het goede doel’. Het jaar is nog lang, maar goed begonnen is half gewonnen. De dagen die volgen zijn twijfeldagen, zeker in het gezelschap van een wel-nog-roker die het ‘vuur in de krater van zijn kaken’ zuigt en zijn longen asfalteert. In ‘asfalteert’ zit het woord ‘teer’. We zijn pas 5 januari en we merken al dat deze dichter grossiert in degelijke beelden en aardige taalvondsten.

Op Driekoningendag weigert onze je-persoon in zijn rol van Caspar te kruipen. Optrekken met twee rokende koningen is als ‘kruipen door een mijnenveld’. Het goede voornemen bestendigen blijft dansen op een slappe koord. Was er in plaats van het lentefris waar het huis zich aan bevuilt  maar een ‘wasverzachter / met de geur van teer / en smeulend houtvuur’ klinkt het op donderdag 12 januari. Op zaterdag 14 januari wordt een beste vriend, een rokende vriend natuurlijk, begraven, niet zonder eerst bewierookt te worden. Grappig toch die wierook. Dan ga je al dood in die vieze rookwalmen en dan moet zo’n pastoor je nog een schop na geven door als gek met een rookvat over je kist te zwaaien.

Yerna Van den Driessche graaft in haar eigen bestaan en in de wereld rondom haar. Indrukken, ervaringen en verhalen verwerkt ze tot poëzie. Dat was zo in haar indrukwekkende debuutbundel ‘Reconstructie’, dat was zo in de opvolger ‘Mendeljevkoorts’ en dat is zo in ‘Schaken met de dood’. Toch is het woord ‘autobiografisch’ hier niet echt op zijn plaats. Yerna vertrekt in haar poëzie vanuit het particuliere en poetst het particuliere patina weg zonder dat de poëzie haar eigenheid verliest en al te universeel wordt. Alle drie haar bundels zijn themabundels. Er valt zowel iets te zeggen voor als tegen themabundels. Het voordeel is dat er een leidraad is, een ‘fil rouge’. De lezer, die niet altijd een ervaren poëzielezer is, heeft een houvast. Er wordt een vooraf afgebakende thematiek uitgewerkt. Dat laatste kan ook een nadeel zijn: het gevaar voor eenheidsworst ligt op de loer. De kans bestaat dat een onderwerp helemaal wordt leeggemolken en dat gedichten te zeer op elkaar gaan lijken. Yerna moet zich bewust zijn geweest van die valkuil, want ze zorgt ervoor dat er in die uitgelichte maand januari effectief een en ander gebeurt. Veel nevenaspecten van het roken of het stoppen met roken komen aan bod. Er wordt op een bloemenmarkt een stengelmeisje opgevoerd dat een jointje rolt. Dat meisje keert verderop in de bundel terug, weliswaar in minder fortuinlijke omstandigheden. De vraag over een kinderwens wordt opgeworpen met alle emoties die zoiets teweegbrengt. Ook aan bod komen de bijzondere dagen die in de maand januari talrijk aanwezig zijn. Niet alleen Nieuwjaarsdag en Driekoningen, maar ook een vrijdag de 13de, Blauwe Maandag, dat is de maandag van de laatste volle week van januari waarop de meeste mensen zich treurig en neerslachtig zouden voelen. En er is ook nog 30 januari, de Dag van de Saudade, oftewel de dag van de melancholie.  Blauwe Maandag en Dag van de Saudade, twee dagen in januari die gekenmerkt worden door weemoed. Dat is geen toeval, weemoed is een hoofdthema in het werk van Yerna Van den Driessche. Verder is de bundel doorspekt met droomgedichten, die in de bundel cursief gedrukt staan. Die droomgedichten verbreden en verluchten de bundel.  Het droomgedicht op 15 januari is een ‘opera buffa’. De opera buffa was een luchtig operagenre dat gespeeld werd als intermezzo tijdens de pauze van een ernstige opera. Tussen alle treurnis van het leven door hebben mensen voortdurend nood aan decompressie. Dat is de rol die de cursieve droom- en herinneringsgedichten vervullen. Het is niet dat in die verzen voluit de humoristische kaart wordt getrokken, dat zeker niet, maar ze trekken de lezer even weg van de kern van de bundel en zorgen voor diversiteit.

Yerna Van den Driessche is een poëziebeest. Waar poëzie wordt uitgedragen, daar is Yerna graag bij aanwezig. Poëzie is voor haar een tweede natuur, zo stel ik me voor. Ik denk dat ze heel minutieus omgaat met haar werk, dat ze niet snel tevreden is, dat het haar moed en moeite kost om een gedicht als af te beschouwen. Die gedrevenheid en precisie siert haar. Het resultaat is een poëzie waarin zegging en suggestie degelijk met elkaar worden vermengd. Voor mij is dit bij vlagen ook visuele poëzie. Heel wat gedichten in Schaken met de dood laten zich lezen als een foto of een kortfilm waar de beklemming van afdruipt. Het gedicht ‘Avondwandeling’ opent met de volgende strofe: ‘een man katapulteert een brandende peuk / een lichtboog in de vrieskou / een overtreding van het donker’. Ik heb een beeld bij die man die zijn peuk weg katapulteert. Ik zie een man van eenvoudige komaf op wandel in zijn biotoop. De gedichten van Yerna worden bevolkt door lieden met gegroefde zielen maar het hart op de juiste plaats. Ze bidden en vloeken en worden al eens door God en het leven in de steek gelaten, maar krabbelen altijd weer overeind, of proberen dat althans. Ze drinken graag een pint en ze roken omdat ze zijn grootgebracht in een omgeving die alcohol en tabak als normaal beschouwde. Ze weten niet beter, of misschien weten ze wel beter, maar leggen ze alle goedbedoelde raadgevingen naast zich neer. Tot op de dag dat het inzicht komt, vaak aangestuurd door een opkomend kwaaltje dat zich aanvankelijk nog onschuldig aandient.  Schaken met de dood zal niet massaal rokers van de tabak afhelpen. Dat is niet de taak van poëzie. Poëzie hoeft geen pamflettaire ambities te koesteren. Poëzie moet niets anders zijn dan poëzie te zijn. Schaken met de dood is geen schotschrift tegen het roken. Het is veel meer dan dat. Een ode aan het leven bijvoorbeeld, maar bovenal is Schaken met de dood gewoon een dichtbundel die u moet kopen, moet lezen. Daarmee is alles gezegd.

Advertenties